B18
Warming-up
PEERDe intensiteit van de warming-up beïnvloedt de prestatie sterker dan de duur alleen. Een typische wedstrijd-warming-up beslaat 1300-2100m: 400-1000m rustig continu, dan slagdrills en oplopende intensiteit, afgesloten met enkele inspanningen op wedstrijdtempo. De optimale pauze tussen warming-up en inspanning ligt tussen 5 en 15-20 minuten; een korte transitie is duidelijk beter dan een lange (1,1-1,5% snellere tijdritten).
In ons systeem: die 1300-2100m is een wedstrijdprotocol en past niet in een sessie van 60 minuten. Wij schalen naar 300-500m, maar nemen het werkzame principe wél over: oplopende intensiteit en enkele korte versnellingen op tempo aan het eind, in plaats van alleen rustig inzwemmen. Bij testsets is de korte transitie naar de tijdrit expliciet voorgeschreven.
Influence of post-warm-up recovery time on swim performance in international swimmers (ScienceDirect)Swimming performance, physiology, and PAPE following dryland transition phase warmup: a systematic review (PMC9387820)
B19
Masters-sporters: herstel en belastbaarheid
PEER / COACHOudere sporters ervaren doorgaans meer spierschade en herstellen langzamer na intensieve inspanning. Tegelijk laten longitudinale gegevens zien dat de daling in VO2max sterk samenhangt met verandering in trainingsvolume, 54% van de variantie bij mannen en 39% bij vrouwen werd verklaard door volumeverandering, niet door leeftijd op zichzelf. Sporters met een lange trainingshistorie hebben nieuwe prikkels nodig om te blijven adapteren; gepolariseerde training, korte hoogintensieve intervallen en krachtwerk leveren die prikkel.
In ons systeem: onze ledengroep is vermoedelijk grotendeels masters. Daarom: minimaal 72 uur tussen twee zware sessies (donderdag-zondag voldoet daar ruim aan), de herstelweek in de 3:1-structuur is niet optioneel, en het advies bij ouder worden is volume vasthouden in plaats van intensiteit schrappen.
The Impact of Training on the Loss of Cardiorespiratory Fitness in Aging Masters Endurance Athletes (PMC9517884)Master Athletes Are Extending the Limits of Human Endurance (PubMed 28018241)HIIT Science, Masters Athlete Training met Prof. Peter Reaburn & Prof. Paul Laursen
B24
Bewegingseconomie bij hardlopen: welke techniek doet ertoe
PEEREen overzichtsstudie van de aanpasbare biomechanische factoren die de loopeconomie
beinvloeden. Gunstig zijn: lopen in je eigen voorkeurspaslengte (tot ongeveer 3% korter mag,
langer niet), minder verticale beweging, meer beenstijfheid, minder beenstrekking bij het
afzetten, een grotere pashoek, en het behouden van een actieve armzwaai. De contactfase met de
grond, en dan vooral de afzet, heeft de sterkste directe band met de economie. Bron: Moore,
Is There an Economical Running Technique? A Review of Modifiable Biomechanical Factors Affecting
Running Economy, Sports Medicine 2016.
In ons systeem: de foutenlijst voor hardlopen in content/drills-hardlopen.json. Dit is de reden
dat overschrijden, veel verticale beweging en een dode armzwaai erin staan, en dat we niets
beweren over voetlanding.
Is There an Economical Running Technique? A Review of Modifiable Biomechanical Factors Affecting Running Economy (PMC4887549)
B25
Paslengte en pasfrequentie
PEEREen lagere pasfrequentie, in onderzoek meestal afgebakend onder de 170 passen per
minuut, gaat samen met overschrijden en een hogere belasting per pas. Het veelgenoemde getal van
180 komt van een telling onder olympische lopers en is een gemiddelde, geen norm: er is geen bewijs
dat een loper die op 172 loopt en geen klachten heeft, er baat bij heeft om naar 180 te gaan. Wat
wel steun heeft is een verhoging van 5 tot 10% bij wie laag zit en overschrijdt. Bron:
systematische review over hardloopcadans en blessurepreventie, 2025.
In ons systeem: het techniekpatroon voor hardlopen en de fout "te lage pasfrequentie". De
instructie is daarom niet langer "loop op 180" maar "zit je onder de 170, verhoog dan met 5 tot
10%".
The Influence of Running Cadence on Biomechanics and Injury Prevention: A Systematic Review (PMC12440572)
B26
Loopscholing en gangbeeldtraining
PEERGerichte gangbeeldtraining verandert meetbaar de pasfrequentie, de kniekinematica en de
verticale belastingssnelheid, en verlaagde in twee onderzoeken de blessure-incidentie over een
jaar. Wat het niet doet, is de prestatie verbeteren. Loopscholing is dus een blessure- en
bewustwordingsinstrument, geen snelheidstraining. Bron: The Effectiveness of Gait Retraining on
Running Kinematics, Kinetics, Performance, Pain, and Injury in Distance Runners: A Systematic
Review With Meta-analysis, JOSPT 2022.
In ons systeem: de plaats van loopscholing in het schema: in de warming-up en op rustige dagen,
niet als vervanging van kwaliteitswerk. En de reden dat we er geen tijdwinst aan koppelen.
The Effectiveness of Gait Retraining on Running Kinematics, Kinetics, Performance, Pain, and Injury in Distance Runners (JOSPT 2022)
B27
Cadans en traptechniek op de fiets
PEERDe bruto-efficientie op de fiets neemt af naarmate de cadans stijgt, en de meest
efficiente cadans ligt voor de meeste fietsers onder de zelfgekozen cadans. Belangrijker: de
kracht-effectiviteit van de trapbeweging blijkt niet de oorzaak van die efficientie. Anders
gezegd: ronder leren trappen maakt je niet zuiniger. Wat cadanswerk wel doet is het bereik
verbreden waarin je comfortabel kunt fietsen. Bron: The relationship between cadence, pedalling
technique and gross efficiency in cycling, European Journal of Applied Physiology 2011.
In ons systeem: het techniekpatroon voor fietsen. Het doel ervan is hier bijgesteld: het gaat om
een breder cadansbereik en niet om een efficientere trapbeweging, want dat laatste houdt geen
stand.
The relationship between cadence, pedalling technique and gross efficiency in cycling (PubMed 21437606)
B28
Zadelhoogte en knieklachten
PEEROverbelastingsklachten aan de knie komen bij ongeveer de helft van de fietsers voor. Een
zadelhoogte waarbij de knie in het onderste punt 25 tot 35 graden gebogen blijft, verlaagt het
risico; te laag geeft meer druk op de knieschijf, te hoog geeft klachten aan de buitenzijde en
wiegende heupen. Deze hoeken houden geen rekening met lenigheid, beenverhoudingen en trapstijl,
dus ze zijn een vertrekpunt en geen voorschrift. Bron: Effects of bicycle saddle height on knee
injury risk and cycling performance, 2011.
In ons systeem: de fouten "zadel te laag" en "zadel te hoog" in content/drills-fietsen.json, met
de uitdrukkelijke doorverwijzing naar een bikefitter in plaats van een getal uit onze app.
Effects of bicycle saddle height on knee injury risk and cycling performance (PubMed 21615188)
B29
Intensiteitsverdeling bij duursporters
PEEREen gepolariseerde verdeling, ruwweg 80% rustig tegenover 20% hard met weinig werk op
de drempel, laat in een meta-analyse een voordeel zien voor de VO2piek, maar alleen bij goed
getrainde sporters en bij programma's korter dan twaalf weken. Voor de overige prestatiematen
zijn de verschillen tussen verdelingen klein. Bij amateurs op de halve afstand hing juist de tijd
in zone 2 samen met een betere wedstrijduitslag. De rode draad door alle varianten is dat het
grootste deel rustig is. Bronnen: Comparison of Polarized Versus Other Types of Endurance
Training Intensity Distribution, Sports Medicine 2024; Polarized and Pyramidal Training
Intensity Distribution: Relationship with a Half-Ironman Distance Triathlon Competition, 2019.
In ons systeem: de grens op het aantal zware trainingen per week (kwaliteitPerWeek in
lib/atleet.ts, toegepast in lib/motor/week.ts), en de keuze om bij de
lange afstanden het kwaliteitswerk naar de drempel te verschuiven in plaats van naar maximale
intervallen.
Comparison of Polarized Versus Other Types of Endurance Training Intensity Distribution (PMC11329428)Polarized and Pyramidal Training Intensity Distribution: Half-Ironman (PubMed 31827355)
B30
De overgang van fiets naar loop
PEERDe eerste kilometer na het fietsen voelt bij triatleten van elk niveau onhandig, en dat
is meetbaar: de kniekinematica wijkt af van die bij een gewone duurloop. Wie regelmatig wissels
traint, ontwikkelt daar een specifieke soepelheid in en komt sneller in een normaal looppatroon.
Bron: onderzoek naar de fiets-looptransitie met de attractormethode, en naar vlakke covariatie in
de beenkinematiek bij elite-triatleten.
In ons systeem: de wisseltrainingen (BRICKS in lib/motor/workouts.ts, ingepland door
lib/motor/week.ts vanaf de bouwfase tot en met de racespecifieke fase, niet in een herstelweek),
en de reden dat ze dichter bij de wedstrijd terugkomen en op de langere afstanden ook als lange
wisseltraining. Niet voor de zwem-loopwissel van een aquatlon of swimrun: deze bron gaat over de overgang van fiets
naar loop; dat lopen na het zwemmen ook even onwennig voelt, is praktijk en staat zo in het plan (ronde 14).
Discovering the sluggishness of triathlon running: the attractor method and the bike-run transition (PMC9802668)Planar covariation in lower limb kinematics of running after cycling in elite triathletes (PMC9871811)
B31
Krachttraining: welke vorm
PEEREen overkoepelend overzicht van meta-analyses vindt verbeteringen in de loopeconomie bij
zwaar krachtwerk (boven 80% van het eenmalig maximum) en bij gecombineerde vormen, en bij
plyometrie vooral op lagere loopsnelheden. Geen van de meta-analyses vond een verandering in de
VO2max. Voor fietsers geldt hetzelfde patroon via de efficientie. Bron: The Effect of Strength
Training on Endurance Performance Determinants in Middle- and Long-Distance Endurance Athletes: An
Umbrella Review, 2025.
In ons systeem: de opbouw van de krachttraining door het seizoen: in het najaar zwaar en met
weinig herhalingen, richting de wedstrijd korter en onderhoudend. En de reden dat we geen
circuittraining met lichte gewichten voorschrijven.
The Effect of Strength Training on Endurance Performance Determinants: An Umbrella Review (PubMed 40153564)
B32
Rompratatie en het energieverbruik bij hardlopen
PEERMeer rotatie van romp en bekken om de lengteas hangt samen met een hoger energieverbruik
bij hardlopen. Een overdreven armzwaai naar voren wekt een draaimoment in de romp op dat de
krachten die je vooruit brengen tegenwerkt. Een rustige, correcte armzwaai verlaagt zowel de
schouderuitslag als de rompratatie en daarmee de energiekosten. Bij vermoeidheid neemt de
bekkenrotatie toe, wat wijst op afnemende romp- en heupstabiliteit.
In ons systeem: de fout "te veel rompratatie" in content/drills-hardlopen.json, en de koppeling met
de armzwaai: de romp is meestal niet de oorzaak maar het gevolg.
Relationship between Longitudinal Upper Body Rotation and Energy Cost of Running in Junior Elite Long-Distance Runners (PMC10611096)The Relationship Between Running Biomechanics and Running Economy: A Systematic Review and Meta-Analysis (PMC11127892)
B33
Voorover leunen bij hardlopen
PEERMeer voorover leunen verhoogde het energieverbruik met ongeveer 8 procent, verslechterde
de loopeconomie en verhoogde de belasting: de mate van belastingstoename lag rond de 29 procent en
de piekgrondreactiekracht rond de 20 procent. Dat gold zowel voor leunen vanuit de enkels als
vanuit het middel; het verschil tussen die twee technieken maakte niet uit. De reden is dat je
dan meer werk laat doen door de grote heupstrekkers, die minder zuinig zijn dan de kuit- en
enkelspieren.
In ons systeem: de fout "te ver voorover" in content/drills-hardlopen.json. Dit weerspreekt een
veelgehoorde coachinstructie, en het heeft ons een instructie in een eigen oefening gekost: daar
stond "met een lichte voorwaartse lichaamshelling vanuit de enkels", en dat is eruit gehaald.
The effect of forward postural lean on running economy, kinematics, and muscle activation (PLOS One 2024)
B34
Schoenplaatjes en zadelpositie op de fiets
COACHDe twee meest voorkomende materiaaloorzaken van knieklachten bij fietsers zijn een zadel
dat te laag staat en een schoenplaatje dat te ver naar voren zit; beide verhogen de belasting op
het kniegewricht bovenin de trapbeweging. Een scheve stand van het plaatje dwingt de knie naar
binnen of naar buiten en belast de banden en de iliotibiale band. De zadelpositie naar voren en
achteren bepaalt waar de knie loopt ten opzichte van de pedaalas: te ver naar voren belast de
knieschijf, te ver naar achteren de hamstrings. Fietsen is repetitief in de orde van vijfduizend
omwentelingen per uur, waardoor een afwijking van millimeters zich opstapelt.
In ons systeem: de fouten over schoenplaatjes, zadelpositie en kniebaan in
content/drills-fietsen.json, elk met de doorverwijzing naar een bikefitter. Deze staat op COACH:
het is de brede praktijk van bikefitters en fysiotherapeuten, gedragen door de studies bij B28,
maar de precieze getallen komen niet uit een enkelvoudige peer-reviewed studie.
B35
Slagfouten bij borstcrawl voor triatleten
COACHDe meest genoemde fouten in de triatlonpraktijk: het hoofd optillen een of twee slagen
voor de ademhaling, overrotatie tijdens het ademen tot wel zeventig graden, een beenslag die
breder is dan schouderbreedte, en niet uitademen onder water. Een crossover bij de instap laat
een zwemmer in open water slingeren; in de praktijk wordt genoemd dat dat tot twintig procent
extra afstand kan kosten.
In ons systeem: de aanvullende slagfouten in content/drills.json. Bewust op COACH: dit is wat
zwemtrainers breed hanteren, niet wat in een studie is vastgesteld. Het getal van twintig procent
staat er daarom als praktijkervaring en niet als meetresultaat.
10 Common Freestyle Swim Mistakes and How to Correct Them (USA Triathlon)
B36
Wedstrijdtempo per loopafstand ten opzichte van de drempel
PEER / COACHTwee onafhankelijke modellen geven hetzelfde beeld van hoeveel trager dan je
drempeltempo (het tempo dat je ongeveer een uur volhoudt) je een wedstrijd afwerkt.
Riegels uithoudingsformule uit 1977, T2 = T1 x (D2/D1)^1,06, is geldig voor inspanningen van
3,5 tot 230 minuten en dus voor 1500 m tot en met de marathon. Toegepast vanaf het uurtempo
levert dat per afstand deze afwijking op, en die blijkt tamelijk stabiel over niveaus heen
(gerekend bij een drempeltempo van 4:30 en van 5:30 per km):
| Afstand | Riegel bij 4:30/km | Riegel bij 5:30/km | Wat wij aanhouden |
| --- | --- | --- | --- |
| 5 km | -15 s/km | -15 s/km | -15 |
| 10 km | -5 s/km | -2 s/km | -4 |
| Halve marathon | +8 s/km | +13 s/km | +10 |
| Marathon | +19 s/km | +28 s/km | +16 tot +24, zie hieronder |
Daniels' VDOT-systeem komt onafhankelijk tot dezelfde ordegrootte: marathontempo ligt op ongeveer
84% en drempeltempo op ongeveer 88% van de VDOT-waarde, wat bij VDOT 50 neerkomt op 5:05 tegenover
4:40 per kilometer, een verschil van ongeveer 25 s/km.
De marathon: de formule is daar te optimistisch. Vickers en Vertosick onderzochten in 2016 de
uitslagen van 2303 recreatieve duurlopers en vonden de formule goed gekalibreerd tot en met de
halve marathon, maar bij de marathon minstens tien minuten te snel voor ongeveer de helft van de
lopers. Tien minuten over 42,2 km is ruim veertien seconden per kilometer. Wat wij aanhouden: het
marathontempo komt uit de VDOT-tabel van [B62] (ongeveer 93,5 procent van je drempelsnelheid) en
de duur via Riegel op je eigen drempel, wat neerkomt op ongeveer +16 tot +24 s/km. Dat is sneller
dan de +32 die Vickers en Vertosick suggereren voor de helft van de recreanten. De voorzichtigheid
zit daarom elders: is je langste loop in de laatste weken kort ten opzichte van de marathon, dan
loop je 2 tot 4 procent rustiger dan dit tempo (praktijk), en de wedstrijdkaart zegt "kijk op je
horloge" en de eerste helft aan de onderkant. Een pacingdoel dat systematisch te snel is, is erger
dan geen pacingdoel; wie zijn eerste marathon loopt, doet er goed aan de eerste helft nog iets
rustiger te beginnen (praktijk).
In ons systeem: het racetempo van de losse loopafstanden in lib/wedstrijd.ts (sinds oktober
2026 racetempo.loopPct, een deel van de drempelsnelheid uit de VDOT-tabellen van [B62], in plaats
van de vroegere loopOffset in seconden; voor de marathon met de correctie hierboven), en het
wedstrijdtempo dat op de trainingsschemapagina's per afstand getoond wordt. Let op dat dit
richtwaarden zijn voor een vlak parcours en normale omstandigheden; ze vervangen geen eigen
wedstrijdervaring.
Riegel-formule en de exponent 1,06How Accurate Are Race Calculators? A Riegel Formula Guide (RunnersConnect)Jack Daniels VDOT: trainingstempo’s per zone
B37
Voetpronatie en blessurerisico bij hardlopen
PEERIn een prospectief cohort van bijna duizend beginnende hardlopers, die allemaal op
dezelfde neutrale schoen begonnen, werd de voetstand vooraf gemeten en werden de blessures een
jaar lang bijgehouden. Lopers met pronatie liepen niet meer blessures op dan lopers met een
neutrale voetstand; de groep met de duidelijkste pronatie liep er zelfs eerder minder. De
conclusie van de auteurs is dat de voetstand bij beginners op een neutrale schoen geen bruikbare
voorspeller van blessures is. Bron: Nielsen e.a., Foot pronation is not associated with
increased injury risk in novice runners wearing a neutral shoe: a 1-year prospective cohort
study (British Journal of Sports Medicine, 2014).
In ons systeem: het kennisbankartikel over overpronatie, en de grens van wat er over de voet
gezegd mag worden op de loopanalysepagina's. Dit is de reden dat de podoloogpagina schrijft dat
voet en enkel op 2D-video oriënterend zijn en dat de waarde bóven de voet ligt: niet uit
bescheidenheid, maar omdat de voetstand zelf minder voorspelt dan lang is aangenomen.
B38
Schoenen kiezen op voetvorm
PEERIn grootschalige gerandomiseerde onderzoeken onder militaire rekruten werden schoenen
toegewezen op basis van de vorm van de voetzool (holle, normale of platte voet) en vergeleken
met een toewijzing die de voetvorm negeerde. Het aantal blessures verschilde niet. Het
toewijzen van een schoentype op voetvorm of pronatiegraad levert daarmee geen aantoonbare
blessurewinst op. Bron: Knapik e.a., Injury reduction effectiveness of assigning running shoes
based on plantar shape (American Journal of Sports Medicine, 2010, en de bijbehorende reeks in
Medicine & Science in Sports & Exercise).
In ons systeem: het kennisbankartikel over overpronatie, en de pagina voor de hardloopwinkel:
die verkoopt geen schoenadvies op voetstand maar het verschil dat tussen twee schoenen
meetbaar is in het looppatroon. Dat onderscheid is precies wat deze bron afdwingt.
De secties I tot en met R zijn toegevoegd op 5 oktober 2026, na de schema-audit van oktober 2026
(onderzoek/schema-audit-2026-10). De dertien rapporten stelden samen ruim honderd bronnen voor, met
overlappende voorlopige nummers. Ze zijn hier ontdubbeld en waar ze hetzelfde onderbouwen gebundeld,
zoals bij B01 en B06. Het veld Verificatie zegt per bron wat er gecontroleerd is: titel, auteurs,
jaar en DOI via Europe PMC, of alleen of de URL bereikbaar is. Wat niet geverifieerd is, staat er
expliciet bij en hoort niet zonder controle in een schema. Bosquet 2007 en Wang 2023 (taper) staan
al bij [B06], Oliveira 2024 (gepolariseerd) bij [B29] en Seiler 2010 bij [B04]; die zijn niet opnieuw
opgenomen.