Zwemmer in een wedstrijdbad
OefeningenbibliotheekZwemtechniek

De slagfouten die triatleten het meest kosten

19 fouten die een trainer werkelijk ziet, in de volgorde waarin je ze aanpakt, met per fout de oefeningen die hem corrigeren.

Hoe techniek bij zwemmen werkt

Bij zwemmen is vrijwel alles techniek. Je ligt in het water, en elke fout kost meteen snelheid doordat je meer weerstand maakt. Daarom levert techniekwerk hier meer op dan bij de andere twee sporten samen, en daarom staat weerstand verlagen vóór voortstuwing verhogen.

Pak er hoogstens drie tegelijk aan. Een sporter die zeven aandachtspunten meekrijgt, onthoudt er nul. Drie is wat iemand in een training werkelijk kan vasthouden, en de rest komt aan de beurt zodra die drie zitten.

In de volgorde waarin je ze aanpakt

De 19 fouten

Niet op ernst gesorteerd maar op afhankelijkheid. Een gespannen zwemmer leert geen catch, en een loper met een wegzakkend bekken heeft niets aan loopscholing zolang zijn heup het niet houdt.

  1. 1

    Spanning en gehaaste ademhaling

    hoog

    Korte, gejaagde slag, hoofd komt ver omhoog bij het ademen, zichtbare spanning.

    3 oefeningen: Ontspannen drijven en uitademen, Ademhalingsladder 3-5-7, Hoofdpositie-contrast

  2. 2

    Niet uitademen onder water

    hoog

    De zwemmer blaast pas uit bij het draaien; het ademen klinkt gejaagd en er komen weinig bellen.

    2 oefeningen: Uitademen onder water, geteld, Ademen op de rug van je hand

  3. 3

    Hoofd optillen voor de ademhaling

    hoog

    Een of twee slagen voor het ademen komt het hoofd al omhoog; de blik gaat naar voren in plaats van opzij.

    3 oefeningen: Ademen op de rug van je hand, Uitademen onder water, geteld, Ademen naar je zwakke kant

  4. 4

    Hoofd te hoog

    hoog

    Blik vooruit in plaats van omlaag; heupen zakken zichtbaar.

    2 oefeningen: Gestrekte glijpositie (streamline glide), Hoofdpositie-contrast

  5. 5

    Wegzakkende heupen en benen

    hoog

    Het onderlichaam hangt laag, de zwemmer ligt schuin in plaats van horizontaal.

    7 oefeningen: Gestrekte glijpositie (streamline glide), Hoofdpositie-contrast, Beenslag op de rug met armen langs het lichaam, Beenslag zonder hulpmiddelen, armen langs het lichaam, Zijligging met schouder naar beneden, Beenslag in streamline op de buik, Beenslag in streamline op de rug

  6. 6

    Lage elleboog in de catch (dropped elbow)

    hoog

    De elleboog zakt weg nadat de hand het water in gaat, in plaats van hoog te blijven met de vingertoppen omlaag.

    6 oefeningen: Vuistzwemmen (closed fist), Enkelarmig zwemmen, Wrikken voor het hoofd (sculling), Pull buoy met vertraagde grip (catch), Wrikken bij de heup (sculling), Vertraagde haal op volle druk

  7. 7

    Slippende hand / geen watergevoel

    hoog

    Hoge slagfrequentie met weinig voortstuwing; hoge slagentelling per baan.

    7 oefeningen: Vuistzwemmen (closed fist), Wrikken voor het hoofd (sculling), Enkelarmig zwemmen, Slagentelling per baan, Wrikken bij de heup (sculling), Vertraagde haal op volle druk, Doorhalen tot langs de heup

  8. 8

    Crossover bij de instap

    hoog

    De hand kruist bij de instap de denkbeeldige middellijn van het lichaam. Het lichaam slingert of fishtailt.

    3 oefeningen: Zijligging beenslag (side kick), Vingertoppen slepen (finger drag), Rits langs de flank (zipper)

  9. 9

    Onvoldoende rotatie

    midden

    Het lichaam blijft vlak, armen zwaaien om het lichaam heen in plaats van er overheen.

    5 oefeningen: Zijligging beenslag (side kick), 6-1-6 rotatiedrill, 6-3-6 rotatiedrill, Zijligging met schouder naar beneden, Ademen op de rotatie

  10. 10

    Te brede beenslag

    midden

    De voeten gaan bij elke slag verder uit elkaar dan schouderbreedte; van boven gezien lijkt het op een schaarbeweging.

    1 oefening: Smalle beenslag met plank

  11. 11

    Beenslag vanuit de knie

    midden

    Knieën buigen sterk, knieën komen boven water, veel schuim weinig voortstuwing.

    5 oefeningen: Beenslag op de rug met armen langs het lichaam, Beenslag met plankje, verticaal gehouden, Beenslag zonder hulpmiddelen, armen langs het lichaam, Beenslag in streamline op de buik, Beenslag in streamline op de rug

  12. 12

    Lage elleboog in de recovery

    laag

    De arm zwaait laag en zijwaarts over het water in plaats van met hoge elleboog.

    4 oefeningen: Vingertoppen slepen (finger drag), 6-1-6 rotatiedrill, 6-3-6 rotatiedrill, Rits langs de flank (zipper)

  13. 13

    Eenzijdig ademen

    midden

    Ademt uitsluitend naar één kant; zichtbare asymmetrie in rotatie.

    4 oefeningen: Bilateraal ademen 3-3-3, Zijligging beenslag (side kick), Ademen op de rotatie, Ademen naar je zwakke kant

  14. 14

    Zwemt niet rechtdoor

    hoog

    In open water loopt de lijn structureel naar één kant; in het bad raakt de zwemmer telkens dezelfde lijn.

    1 oefening: Rechtdoor zwemmen met gesloten ogen

  15. 15

    Te lange glijfase (overgliding)

    hoog

    Zeer lage slagentelling, duidelijke dode fase vooraan de slag, het lichaam vertraagt tussen de slagen.

    5 oefeningen: Slagritme op een piepertje (tempotrainer) of op de grote klok, Tempotrap (build), Slagentelling plus tijd (SWOLF), Doorhalen tot langs de heup, Halve inhaalslag (front quadrant)

  16. 16

    Sighting verstoort het ritme

    midden

    Bij het oriënteren komt het hele hoofd omhoog, de heupen zakken, het ritme valt weg.

    2 oefeningen: Richten elke 5-7 slagen (sighting), Waterpolocrawl met het hoofd boven water

  17. 17

    Onwennig in een groep

    midden

    Wijkt uit bij contact, verliest ritme in drukte, zwemt bewust achteraan weg van de groep.

    2 oefeningen: In het zog op de voeten (drafting), Dieptestart en groepszwemmen

  18. 18

    Timingfout tussen de armen

    laag

    De tweede arm begint voordat de eerste zijn werk heeft gedaan; onrustige, overlappende slag.

    4 oefeningen: Inhaalslag met plankje (catch-up), 6-1-6 rotatiedrill, Inhaalslag zonder plankje (catch-up), Halve inhaalslag (front quadrant)

  19. 19

    Slechte pacing

    midden

    Start te hard, valt in de tweede helft sterk terug. Tussentijden lopen op.

    2 oefeningen: Tweede helft sneller zwemmen (negative split), Slagentelling per baan

De bibliotheek

41 oefeningen voor zwemmen

8 tot 12 keer 50 meter, waarbij je 25 meter de oefening doet en 25 meter normaal zwemt met hetzelfde gevoel. Die tweede 25 is het belangrijkste deel: daar breng je over wat de oefening je liet voelen.

Balans

Inzet en onderwaterhaal

Waterligging en balans

Rotatie

Doorhaal boven water

Ademhaling

Efficiëntie

Open water

Beenslag

Timing en ritme

Tempocontrole

Vertrouwen

Oriëntatie in open water

Techniek bij de andere sporten:FietsenHardlopen
Een atleet komt over de finish

Welke drie fouten zitten er bij jou?

In je eigen plan kiest het systeem de aandachtspunten die bij jouw niveau passen, en zet de bijbehorende oefeningen in je trainingen. De eerste maand is gratis.