Hardloper op de weg
OefeningenbibliotheekLooptechniek

Looptechniek: wat ertoe doet en wat niet

15 fouten die een trainer werkelijk ziet, in de volgorde waarin je ze aanpakt, met per fout de oefeningen die hem corrigeren.

Hoe techniek bij hardlopen werkt

Bij hardlopen is de literatuur dunner dan bij de andere twee. Loopscholing is hier vooral een blessure- en bewustwordingsinstrument en geen snelheidstraining. Wat er staat gaat daarom over belasting en houding, en niet over voetlanding: daar is geen onderbouwing voor die deze lijst haalt.

Loopscholing verandert meetbaar de pasfrequentie, de kniekinematica en de belasting bij de landing, en verlaagde in twee onderzoeken de blessure-incidentie over een jaar. Wat het niet doet is je sneller maken [B26]. De fouten hieronder zijn daarom gekozen op twee criteria: ze zijn met het blote oog te zien vanaf de kant, en ze staan in verband met de loopeconomie [B24] of met blessurerisico [B25, B26].

Pak er hoogstens drie tegelijk aan. Een sporter die zeven aandachtspunten meekrijgt, onthoudt er nul. Drie is wat iemand in een training werkelijk kan vasthouden, en de rest komt aan de beurt zodra die drie zitten.

In de volgorde waarin je ze aanpakt

De 15 fouten

Niet op ernst gesorteerd maar op afhankelijkheid. Een gespannen zwemmer leert geen catch, en een loper met een wegzakkend bekken heeft niets aan loopscholing zolang zijn heup het niet houdt.

  1. 1

    Wegzakkend bekken

    hoog

    Bij de landing zakt de heup aan de zwevende kant weg; van achteren te zien als een knik in de romp.

    2 oefeningen: Eenbenige heupstabiliteit, Heuvelsprintjes, kort

  2. 2

    Te ver voorover

    hoog

    Van opzij een duidelijke voorwaartse helling, vanuit de enkels of geknikt in het middel. De billen blijven achter.

    2 oefeningen: Rechtop lopen met een vast punt, Hoge knieheffing op de plaats

  3. 3

    Te lage pasfrequentie

    hoog

    Minder dan ongeveer 170 passen per minuut op rustig duurtempo. Tel 30 seconden en verdubbel.

    3 oefeningen: Metronoomloop, Hoge knieheffing op de plaats, A-skip

  4. 4

    Overschrijden

    hoog

    De voet landt duidelijk voor de knie en voor het zwaartepunt, vaak met een gestrekt been. Van opzij het best te zien.

    4 oefeningen: Hoge knieheffing op de plaats, A-skip, B-skip, Stille loop

  5. 5

    Voeten kruisen de middellijn

    midden

    Van achteren gezien landen de voeten op een lijn of zelfs erover; het lichaam wiegt zijwaarts.

    2 oefeningen: Op een lijn lopen, Eenbenige heupstabiliteit

  6. 6

    Veel verticale beweging

    midden

    De loper stuitert zichtbaar op en neer; je hoort de landing van een afstand.

    3 oefeningen: Stille loop, A-skip, Versnellingen op gevoel

  7. 7

    Lange grondcontacttijd

    midden

    De voet blijft lang staan; de loper lijkt te plakken aan de grond. Een horloge met looptechniekmeting laat het zien.

    3 oefeningen: Grondcontact verkorten, Versnellingen op gevoel, Heuvelsprintjes, kort

  8. 8

    Te veel beenstrekking bij de afzet

    midden

    Het achterste been strekt volledig door; de loper lijkt zich af te duwen in plaats van door te rollen.

    2 oefeningen: B-skip, Heuvelsprintjes, kort

  9. 9

    Armen kruisen de middellijn

    midden

    De handen komen voor het borstbeen langs; de romp draait zichtbaar mee.

    1 oefening: Armzwaai los

  10. 10

    Dode of vastgezette armzwaai

    midden

    De armen hangen stil, of de schouders zijn opgetrokken en de handen gebald.

    1 oefening: Armzwaai los

  11. 11

    Te veel rompratatie

    midden

    De schouders draaien zichtbaar heen en weer; van voren of achteren gezien slingert het bovenlichaam. Vaak samen met armen die ver naar voren zwaaien.

    3 oefeningen: Armzwaai tegen een muur, Armzwaai los, Eenbenige heupstabiliteit

  12. 12

    Hoofd omlaag

    laag

    De blik ligt op de grond vlak voor de voeten; de kin zakt naar de borst.

    1 oefening: Rechtop lopen met een vast punt

  13. 13

    Verkrampt bovenlichaam

    laag

    Opgetrokken schouders, gebalde vuisten, een aangespannen kaak. Vaak het duidelijkst in het laatste deel van een training.

    2 oefeningen: Handen los, kaak los, Armzwaai los

  14. 14

    Duidelijk verschil tussen links en rechts

    midden

    Een hoorbaar verschil in de landing, of een been dat zichtbaar anders afzet. Vaak merkt de loper het zelf niet.

    2 oefeningen: Eenbenige sprongetjes, links en rechts geteld, Eenbenige heupstabiliteit

  15. 15

    Slechte pacing

    midden

    De eerste kilometers duidelijk sneller dan de laatste; de loper kan zijn tempo niet benoemen zonder horloge.

    1 oefening: Tempowissel binnen de duurloop

De bibliotheek

16 oefeningen voor hardlopen

Loopscholing doe je na de warming-up en vóór het zware werk, op een vlak stuk. Drie tot vier oefeningen van 20 tot 30 seconden, met wandelen of licht indraven terug.

Pasfrequentie

Coördinatie

Snelheid

Kracht en materiaal

Houding op de fiets

Landing

Stabiliteit

Tempogevoel

Techniek bij de andere sporten:ZwemmenFietsen
Een atleet komt over de finish

Welke drie fouten zitten er bij jou?

In je eigen plan kiest het systeem de aandachtspunten die bij jouw niveau passen, en zet de bijbehorende oefeningen in je trainingen. De eerste maand is gratis.