Zwemmer in een wedstrijdbad
Alle fouten bij zwemmenZwemmen · techniekfout

Slippende hand / geen watergevoel

Hoge slagfrequentie met weinig voortstuwing; hoge slagentelling per baan.

Waaraan je het ziet

Hoge slagfrequentie met weinig voortstuwing; hoge slagentelling per baan.

Wat het je kost

Veel energie, weinig snelheid. Kenmerkend voor het Arnie-type.

Wat je eraan doet

D02

Vuistzwemmen (closed fist)

Watergevoel in onderarm en elleboog ontwikkelen; corrigeert lage elleboog.

Volledige borstcrawl met gebalde vuisten. 25 m vuist, 25 m open hand. Het contrast maakt voelbaar hoeveel oppervlak de onderarm levert.

Let op: Bij het openen van de hand moet de zwemmer merken dat de onderarm meedoet, niet alleen de handpalm.

D04

Wrikken voor het hoofd (sculling)

Watergevoel en druk op de handpalm en onderarm ontwikkelen.

Gestrekt op de buik, armen voor het hoofd, kleine acht-bewegingen met de handen naar buiten en naar binnen. Ellebogen hoger dan de handen. 25 m, eventueel met pull buoy.

Let op: Kleine bewegingen, constante druk. Dit is geen krachtoefening.

D03

Enkelarmig zwemmen

Isoleren van één arm om de grip op het water (catch) en de hoge elleboog te controleren.

Eén arm zwemt, de andere blijft gestrekt vooruit. Ademen naar de kant van de zwemmende arm. 25 m links, 25 m rechts.

Let op: Elleboog hoog houden, vingertoppen omlaag - het beeld van over een liggend vat heen reiken.

D13

Slagentelling per baan

Slaglengte meetbaar maken en volgen over het jaar.

Tel het aantal slagen per 25 m bij een vast, comfortabel tempo. Noteer. Herhaal over 4 banen en gebruik het gemiddelde.

Let op: Een LAGE slagentelling is geen doel op zich. Snelheid is het product van slaglengte en slagfrequentie; eenzijdig jagen op weinig slagen leidt tot te lang uitglijden na elke slag (de overglider-fout).

D30

Wrikken bij de heup (sculling)

Druk voelen aan het einde van de haal, waar de meeste zwemmers hun hand laten slippen.

Op de buik, armen langs het lichaam, handen ter hoogte van de heupen. Kleine acht-bewegingen met de handen, polsen los, onderarm meebewegend. 25 m, rustige beenslag erbij.

Let op: De druk hoort naar achteren te wijzen, niet naar beneden. Voelt het als duwen tegen niets, dan staat je hand te vlak.

D31

Vertraagde haal op volle druk

De haal voelen zoals hij hoort te zijn, zonder dat tempo de fouten verbergt.

Zwem op ongeveer de helft van je normale slagfrequentie, maar duw elke haal met volle kracht door. Vijf tot acht slagen per baan, niet meer. 25 m.

Let op: Langzaam is niet slap. Gaat het tempo omlaag en de druk mee, dan oefen je juist de fout die je wilde afleren.

D32

Doorhalen tot langs de heup

De haal afmaken. Wie halverwege zijn dij loslaat, gooit het makkelijkste deel van zijn voortstuwing weg.

Zwem normaal, maar laat je duim je dijbeen raken voordat de arm naar voren komt. Tel in gedachten hoeveel slagen per baan je het volhoudt. 25 tot 50 m.

Let op: De elleboog blijft hoog tijdens de haal; alleen de laatste duw is met een gestrekte arm. Niet met een rechte arm van voor naar achter roeien.

Kijk hier eerst naar

In de aanpakvolgorde staat lage elleboog in de catch (dropped elbow) hiervóór. Fouten worden niet op ernst gesorteerd maar op afhankelijkheid: zolang die er nog zit, landt het werk aan deze fout maar half.

Waar dit op steunt

  • [B10] Swim Smooth: Swim Types classificatie· COACH · bron bekijken
  • [B12] Dropped elbow / lage elleboog in de catch· FED / COACH · bron bekijken
Een atleet komt over de finish

Train je voor een triatlon?

Dan krijg je een schema dat terugtelt vanaf je wedstrijd en past in jouw week, ook rond je clubtrainingen. Twee minuten vragen beantwoorden en het staat klaar. Je eerste maand is gratis.