Triatleet tijdens een wedstrijd
KennisbankTrainingsleer

Hartslagzones, vermogen en tempo

Waarom hartslag een slechte stuurmaat en een goede controlemaat is, hoe je je zones bepaalt, en waarom 220 min je leeftijd onzin is.

3 minuten lezen · bijgewerkt 5 oktober 2026

Vrijwel elke sporthorloge-app toont hartslagzones, en vrijwel elke beginner stuurt daarop. Toch is hartslag de minst betrouwbare van de drie maten die je kunt gebruiken.

Wat er mis is met hartslag als stuurmaat

Hij loopt achter. Begin je aan een interval van drie minuten, dan duurt het anderhalve tot twee minuten voordat je hartslag klopt bij je inspanning. Bij korte intervallen is hij structureel te laat: je zit al in de rust voordat het getal klopt.

Hij verschuift van dag tot dag. Warmte, slecht geslapen, stress, cafeïne, een beginnende verkoudheid, twee glazen wijn gisteren. Tien slagen verschil bij dezelfde inspanning is doodgewoon.

Hij drijft weg tijdens lange inspanningen. Na twee uur fietsen op gelijk vermogen ligt je hartslag hoger dan in het eerste uur. Stuur je daarop, dan ga je onterecht langzamer rijden.

In het water lees je hem niet af. Punt.

Wat dan wel

Per sport de maat die direct meet wat je doet:

  • Zwemmen: tempo per 100 meter, ten opzichte van je CSS.
  • Fietsen: vermogen in watt, ten opzichte van je FTP.
  • Hardlopen: tempo per kilometer, ten opzichte van je drempeltempo.

Deze drie reageren onmiddellijk en zijn dag na dag vergelijkbaar.

Waar hartslag wél goed voor is

Als controle achteraf, en als waarschuwing.

  • Ligt je hartslag bij hetzelfde vermogen tien slagen hoger dan normaal? Dan ben je niet hersteld, word je ziek, of is het veel warmer dan je denkt. Dat is waardevolle informatie die vermogen je niet geeft.
  • Ligt hij juist ongewoon laag en kom je er niet bovenop? Klassiek teken van diepe vermoeidheid.
  • Op je lange, rustige trainingen is hartslag een prima rem: hij houdt je eerlijk wanneer het gevoel zegt dat je best iets harder mag.

220 min je leeftijd is onbruikbaar

Die formule komt uit een grafiekje uit 1970 en heeft een spreiding van zo'n twintig slagen naar beide kanten; ook de betere formules zitten er gemiddeld tien tot elf slagen naast [B67]. Een 40-jarige met een echte maximale hartslag van 195 traint met die formule structureel te licht; iemand met 165 traint te hard.

Gebruik in plaats daarvan je drempelhartslag (LTHR): je gemiddelde hartslag over de laatste twintig minuten van een tijdrit van dertig minuten. Die meet je zelf, hij is van jou, en hij verandert nauwelijks als je fitter wordt (in tegenstelling tot je tempo).

Je zones als percentage van je drempelhartslag:

Zone Hardlopen (% van LTHR) Fietsen (% van LTHR)
Z1 Herstel 70-84% 65-80%
Z2 Duurtempo 85-89% 81-89%
Z3 Tempo 90-94% 90-93%
Z4 Drempel 95-99% 94-99%
Z5 VO2max 100-106% 100-106%
Z6 Snelheid niet bruikbaar niet bruikbaar

Dat zijn de percentages van Friel [B63]. In de snelheidszone heeft hartslag geen zin: de herhalingen zijn voorbij voordat hij reageert.

Let op: je drempelhartslag verschilt per sport. Bij hardlopen ligt hij meestal vijf tot tien slagen hoger dan op de fiets, omdat je meer spiermassa gebruikt en je gewicht draagt. Meet ze dus apart, en gebruik je fietswaarde niet voor je looptrainingen.

En gevoel?

Onderschat het niet. De praattest en een score van 0 tot 10 voor hoe zwaar het voelt (RPE) zijn bruikbare zonegrenzen, ook zonder meter [B68]; daarom staan ze bij elk blok in het schema. Ervaren sporters schatten hun inspanning verrassend nauwkeurig in, en gevoel houdt rekening met dingen die geen enkele meter meet: dat je slecht sliep, dat het dertig graden is, dat je je week zwaar was.

De praktische combinatie: stuur op vermogen of tempo, controleer met hartslag, en overrule allebei met gevoel als je lichaam duidelijk iets anders zegt. Een training die op papier moet, maar vandaag niet in je zit, is morgen niets meer waard.

Waar dit op steunt

  • [B20] Vermogenszones en FTP op de fiets

    De Functional Threshold Power is het hoogste vermogen dat ongeveer een uur is vol te houden, en wordt in de praktijk geschat als 95% van het gemiddelde vermogen over een tijdrit van 20 minuten, of 75% van het hoogste minuutvermogen uit een oplopende test. De zones eromheen lopen van herstel (onder 55% FTP) tot neuromusculair (boven 120%). Bron: Allen & Coggan, Training and Racing with a Power Meter.

  • [B21] Drempeltempo en drempelhartslag bij hardlopen

    Het drempeltempo wordt bepaald met een tijdrit van 30 minuten, waarbij het gemiddelde tempo en de gemiddelde hartslag over de laatste 20 minuten gelden als drempelwaarde. Een test die korter duurt meet eerder de zuurstofopname dan de drempel en valt te snel uit. Drempelintervallen van 6 tot 12 minuten met korte rust zijn de meest gebruikte vorm om die drempel te verschuiven. Bron: Friel, The Triathlete's Training Bible; Daniels, Daniels' Running Formula.

  • [B63] Friel: hartslag- en tempozones voor lopen en fietsen

    Zones als percentage van de drempelhartslag (LTHR) per sport: voor lopen ruwweg Z1 onder 85%, Z2 85-89%, Z3 90-94%, Z4 95-99%, Z5 100-106% van LTHR, met een aparte tabel voor fietsen. De LTHR komt uit een tijdrit van 30 minuten (laatste 20 minuten).

  • [B67] HRmax schatten uit de leeftijd

    De formule 220 − leeftijd is onnauwkeurig. Tanaka e.a. (208 − 0,7 × leeftijd) en Nes e.a. (211 − 0,64 × leeftijd) passen beter, maar de spreiding blijft groot: een standaardfout rond 10-11 slagen per minuut. Gellish e.a. bevestigen dit longitudinaal.

  • [B68] De praattest en RPE als zonegrenzen zonder meter

    De praattest is een valide en praktische marker voor de eerste ventilatoire drempel; RPE en de praattest zijn bruikbaar om intensiteit voor te schrijven en te bewaken. DFA-α1 uit een borstband kan VT1 benaderen, maar is nog opkomend.

  • [B04] Seiler: verdeling van trainingsintensiteit bij duursporters

    Stephen Seiler (Universiteit van Agder) beschreef als eerste systematisch hoe elite-duursporters hun intensiteit verdelen. Het waargenomen patroon is ongeveer 80% lage intensiteit tegenover 20% hoge intensiteit; preciezer uitgesplitst circa 70-75% laag, 0-5% matig, 15-20% hoog. Belangrijk: Seiler ontwierp geen theorie, hij beschreef wat succesvolle sporters al deden.

De volledige lijst met bronnen staat op de onderbouwingspagina.

Een atleet komt over de finish

Train je voor een triatlon?

Dan krijg je een schema dat terugtelt vanaf je wedstrijd en past in jouw week, ook rond je clubtrainingen. Twee minuten vragen beantwoorden en het staat klaar. Je eerste maand is gratis.